De voorzieningenrechter heeft
vandaag beslist dat het coronatoegangsbewijs toegepast mag (blijven) worden.
Net als bij vorige kort gedingen over coronamaatregelen is het uitgangspunt dat
de rechter zich terughoudend moet opstellen bij de beoordeling van nieuwe
maatregelen. Alleen als de Staat in redelijkheid niet voor het gevoerde beleid
heeft kunnen kiezen of wanneer de Staat handelt zonder wettelijke grondslag, is
er plaats voor ingrijpen door de rechter. Dat is hier niet het geval.
Voor de maatregel bestaat een
wettelijke grondslag. Volgens eisers is er geen noodzaak meer tot het treffen
van coronamaatregelen, maar de Staat heeft op begrijpelijke wijze uitgelegd dat
die noodzaak nog steeds bestaat. De Staat heeft toegelicht dat het loslaten van
de anderhalvemeterregel tot een aanzienlijke opleving van het virus kan leiden
deze winter en dat dit risico alleen kan worden beperkt door een brede inzet
van het coronatoegangsbewijs in risicovolle settings.
Volgens het OMT en Van
Dissel hebben ongevaccineerden een aanzienlijk grotere kans om besmet te raken
dan gevaccineerden. Ook hebben ongevaccineerden volgens het OMT en Van Dissel
een grotere kans om het virus door te geven. De Staat mag zijn beleid hierop
baseren. Het zogenaamde “testen voor toegang" heeft daarmee een legitiem
doel: de beperking van verspreiding van het virus.
Het hanteren van het
coronatoegangsbewijs is niet in strijd met het discriminatieverbod. Voorshands
is niet gebleken dat sprake is van een verschil in behandeling waarvoor geen
objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat. Ook maakt het hanteren van het
coronatoegangsbewijs geen onevenredige inbreuk op andere grond- en
mensenrechten en de AVG.
De Staat heeft dus in redelijkheid voor het invoeren
van het coronatoegangsbewijs kunnen kiezen.
Bron: ECLI:NL:RBDHA:2021:10863