zaterdag 16 februari 2013

Maarten 't Hart, De vlieger

In de uitverkoop kocht ik voor enkele euro’s de roman De vlieger van Maarten ’t Hart. Het boekje is al uit 1998 (negende druk, 2010), maar ik kende het zelfs niet van naam. Maar dat hoeft ook niet: ‘t Hart is altijd goed. Hij heeft veel humor en op de laatste bladzijden wordt in dit opzicht zelfs een hommage aan zijn vader gebracht. In 1944 worden mannelijke inwoners van Maassluis door Duitse soldaten opgesteld om op transport naar Duitsland te gaan om daar te werken, de zgn. Arbeitseinsatz. Maar ’t Hart senior is er niet bij en hij komt toevallig wel langsgefietst. Een van de burgers wijst op hem en zegt dat hij er ook bijhoort. Een soldaat houdt hem aan en raakt met hem in gesprek. Die soldaat begint daarop te lachen en als hij zijn kameraden erbij haalt, beginnen die ook te lachen. En ’t Hart senior vervolgt zijn weg…

De roman speelt zich af in Maassluis, zoals gewoonlijk. De geschiedenis is eenvoudig. De hoofdpersoon is vader ’t Hart, de grafmaker. En het werk op de begraafplaats speelt een grote rol in het verhaal. Hij is stijl gereformeerd, maar wel op z’n eigen manier.
Hij raakt bevriend met een buurman, die een probleem met de bijbel heeft. Deze gelooft niet dat Jezus gestorven is om ons onze zonden te vergeven. Althans: dat “staat niet in de bijbel.” Het leidt er uiteindelijk toe dat hij, na twee publieke vermaningen vanaf de kansel, en ettelijke huisbezoeken van ouderlingen, uit de kerk gezet wordt. Dat heeft nare consequenties voor het gezin, want dat wordt in het dorp overal met de nek aangekeken, en zelfs door sommige winkeliers geboycot.
Na enige tijd assistent van de oude ’t Hart op de begraafplaats geweest te zijn, heeft de buurman het geluk dat hij grafmaker kan worden in Delft. Met vrouw en dochter verhuist hij daarheen. ’t Hart junior is verliefd op die dochter maar die ziet hem niet staan. Zij wil niet deugen en raakt aan lager wal, tot groot verdriet van haar ouders.

De tweede verhaallijn is die van het roomse kerkhof. Dat moet wijken voor de nieuwbouw in het dorp, t.w. galerijflats. Het is geen groot kerkhof maar er zijn toch nog heel wat graven. De baas van ’t Hart polst hem of hij ervoor voelt de graven te ruimen en te herbegraven op een nieuw kerkhof. Uiteraard tegen een extra vergoeding, en zo nodig met extra hulp van twee mannen. Maar de grafmaker voelt er niets voor, ruimen is het smerigste werk dat er is. Ook wanneer achtereenvolgens de dominee, de burgemeester en zelfs de pastoor hem het verzoek doet, houdt hij zijn poot stijf: hij gaat geen ‘papen rapen’. Er is slechts één manier waarop hij het zou willen doen en dat is met een dragline. Maar dat vindt men oneerbiedig.
De grap van het verhaal is dat aan het eind van de roman er toch een dragline aan te pas komt. Het gebeurt dan zo stiekem mogelijk, namelijk in het (schemer)donker. ’t Hart is blij dat het aan hem voorbijgaat.

Het verhaal wordt kostelijk verteld. De bijbelse geschiedenis is misschien wat erg uitgesponnen, maar geeft ook weer een onthullende inkijk in het burgerlijke en kerkelijke leven van die tijd. Jaren vijftig van de vorige eeuw.

Een aangrijpende passage is die van de redding van een hond die door een dekknecht van de veerboot overboord gegooid wordt. Met de volgende toelichting: “Daar heb je die pleurishond weer. Nou is het verdomme wel genoeg geweest. Nou grijp ik hem onderweg bij z’n kladden en smijt ik hem overboord. Kan hij eindelijk verzuipen, dat kreng.” (hoofdstuk 25). De jonge Maarten, de zoon van de grafmaker en de latere schrijver, weet het dier uit het water te redden.

Na 36 korte hoofdstukken volgt een epiloog in de huidige tijd, waarin de schrijver Maarten ’t Hart meedoet aan een actie van Amnesty International in Maassluis. Hij wordt herkend en een voorbijganger spreekt hem aan en vraagt of hij even iets mag zeggen. Dat mag en de man begint dan uit een zakbijbeltje voor te lezen uit Deuteronomium. Het gedeelte waarin staat dat gij niet zult ploegen met een os een ezel tegelijk. En: Gij zult op uw dak een leuning maken opdat niemand eraf kan vallen. Maar waarom het gaat is het vijfde vers: “Het kleed eens mans zal niet zijn aan een vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet, is den Heere, uwen God, een gruwel.”
Blijkbaar een verwijzing naar de periode dat Maarten ’t Hart het leuk vond om in vrouwenkleren te lopen. Naar het schijnt dus een aloude gewoonte!*

----------

* Het verbod is gegeven uit verzet tegen een dergelijk gebruik in de Kanaänitische vruchtbaarheidscultus (?) (Bron: Groot Nieuws Bijbel)

1 opmerking:

  1. Jeanne d'Arc werd ook verweten dat ze mannenkleren droeg. Bovengenoemde roman van Maarten 't Hart heb ik heel wat jaren geleden gelezen, maar ik herinnerde mij er niets meer van.

    BeantwoordenVerwijderen