woensdag 9 oktober 2013

Simon Carmiggelt



           Zijn leven was een stille bundel van één vel.
        Zijn dood een kastlijnnieuwtje, nonparel.
        Toen hij, verijld reeds, klopte op de hemelpoort
        had Amsterdam al nooit van hem gehoord.

        Maar d’engel boog voor hem als een chasseur.
         ‘O ja, meneer, u is terecht bij deze deur...
        In het portaal weerklonken vreugdezangen.
        De Penclub had hem nooit zo goed ontvangen.

        De dichter dacht: ‘Verdomd, ik mag erin...
        Hij had getwijfeld, maar dit soepele begin
        schonk hem bewijs der hemelse gerechtigheid.
         ‘Straks,’ dacht hij, ‘krijgt m’n werk nog eeuwigheid

        en valt mijn bundel, door een drukje op de knop-
        Van Vriesland* toch nog als een meesterwerkje op.’
        Hij zag zich al gedundrukt door Van Oorschot
        en mompelde: ‘Ga ik dan niet teloor, God?’

        De engel vroeg: ‘Hebt u een wens of een bevel?
        Als ’t niet te dol is plooien we dat wel.
        Een wolk alléén, of liever bij een vriend,
        om wiens verscheiden u onmatig hebt gegriend?’

         ‘Naast Shakespeare!’ riep de dichter ambitieus
        tegen de engel, die niet grijnsde om zijn keus.
         ‘Goed,’ klonk het. ‘Ik zal da’lijk voor u bellen.
        Maar wilt u mij die naam dan even spellen?



        Simon Carmiggelt 


*Victor van Vriesland, dichter-criticus (1892-1974)

1 opmerking:

  1. Haagsche Hennie10 oktober, 2013 06:02

    Hennie is back in town en back in bizniz.
    Ik wilde even reageren op het gedicht van die overspelige Haagsche schat Simon (de laatste roddels over haar van Rubinstein al gehoord?) want gedichies maken kon-nie!!
    Nâw, ik heb me de klere zitten rammen op m'n compie maar commentaar schrijven, ho maar!
    Geef die weblog van jou eens een optater tegen z'n trèhter: wat een lû kreng!

    BeantwoordenVerwijderen